Stappenplan

Zorg, betrokkenheid en onderhoud

Materieel

Onderhoud in praktische zin draait meestal om het regelmatig schoonmaken, het verwijderen van graffiti of aanslag, voorkomende reparaties uitvoeren en vernielingen herstellen. Als er meer kunstwerken zijn, bijvoorbeeld in een grote organisatie als een ziekenhuis, universiteit of een gemeente, kan het ingepast worden in het reguliere onderhoud van het gebouw of de openbare ruimte. Als er niks reguliers is, zijn er bedrijven die ingehuurd kunnen worden. Gemeentes en grotere organisaties werken vaak met een jaarlijkse ‘schouw’, waarbij alles wordt nagelopen en ook alvast op toekomstige problemen wordt geanticipeerd.

Immaterieel

Gelukkig komt er ook steeds meer aandacht voor de immateriële kant van het onderhoud van kunst in de openbare ruimte. Dat betekent bijvoorbeeld dat je er voldoende informatie over geeft. Zo hebben veel gemeenten websites en databases gemaakt met alle kunstwerken in de openbare ruimte. Maar ook dat je zorg draagt voor het regelmatig onder de aandacht brengen van het kunstwerk – dat je het kunstwerk ‘levend’ houdt bij het publiek. Als mensen het kunstwerk kennen en er meer van af weten, zullen ze minder geneigd zijn om het te verwaarlozen of vernielen. Bovendien is dat de manier waarop een kunstwerk blijvend kan functioneren: de omgeving verbijzonderen of mensen even uit hun dagelijkse sleur halen. Een hele actieve vorm van immateriële zorg is bijvoorbeeld het benoemen van een ‘ambassadeur’ van het kunstwerk, of het opzetten van een genootschap dat de belangen van het werk behartigt.

Erfgoed

Het in bredere zin nadenken over onderhoud en beheer, waarbij kunstwerken in de openbare ruimte gezien worden als cultureel en kunsthistorisch erfgoed, is het terrein van onder meer de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Die Dienst doet veel onderzoek, legt internationale verbanden en denkt na over de wijze waarop het beste ‘ter plekke’ kan worden omgegaan met cultureel erfgoed. Veel kunstwerken in de openbare ruimte zijn vlak na de Tweede Wereldoorlog, of in een bloeitijd als de jaren negentig gerealiseerd. Zij worden nog maar kort beschouwd als erfgoed en er zijn nog veel vragen over wat de beste manier is om hiermee om te gaan. Een van de onderwerpen die het RCE en de Stichting Behoud Moderne Kunst (SBMK) bepleiten is bijvoorbeeld het maken van een ‘kunstenaarsinterview’ tijdens of vlak na de realisatie van het werk. Via een kunstenaarsinterview kan de opdrachtgever de wensen van de kunstenaars inventariseren bijvoorbeeld met betrekking tot hoe het werk mag verouderen; moet het werk er altijd als nieuwe uitzien? Mogen er onderdelen worden vervangen door verbeterde materialen die op dat moment voorhanden zijn of moet het bij het oorspronkelijke materiaal blijven?